Over een ieders recht op (di)vers voedsel.

Dat Wereldvoedseldag (16 oktober) en Wereldarmoededag (17 oktober) vlak na elkaar vallen is waarschijnlijk niet toevallig. Beide dagen staan alleszins prominent in mijn agenda. Gisteren kreeg ik jonge ambassadeurs over de vloer van de One Campagne. Ze vragen aandacht voor de honger in Afrika. En vandaag organiseer ik samen met enkele collega’s een Voedselconferentie die focust op het thema ‘Welk soort landbouw kan de wereld voeden’?

Het narratief van de industrie

In 2013 liet de Wereldvoedsel- en landbouworganisatie (FAO) nog weten dat de globale landbouwproductie met 60% moest toenemen tegen 2050 om tegemoet te komen aan de vraag van de stijgende wereldbevolking. Monsanto zei in 2015 nog “To feed everyone, we’ll need to double the amount of food we currently produce’. En de pesticidesector (een industrie goed voor 50 miljard dollar per jaar en nog steeds groeiend) verdedigt haar producten natuurlijk als zijnde “onmisbaar om gewassen te beschermen en voldoende voedselvoorziening te garanderen”.

De productiviteit van industriële landbouwsystemen is inderdaad gigantisch toegenomen, maar dat heeft zich vooralsnog niet vertaald in minder honger in de wereld... in 2015 lijden nog steeds 795 miljoen mensen honger. En twee miljoen mensen zijn ondervoed, hebben met andere woorden een te eenzijdig dieet en krijgen niet de noodzakelijke voedingsstoffen binnen. Een aan de andere kant van de medaille (en planeet) lijden weer miljoenen mensen aan obesitas. Dat even ongezonde fenomeen is gerelateerd aan een landbouw- en voedselsysteem van enkele monoculturen dat wel veel, maar eenzijdig verwerkt voedsel produceert. In de VS bestaan als ultiem voorbeeld hiervan, veel food desserts waar mensen géén vers of divers voedsel kunnen kopen.          

Nog een ander probleem

Dus als er al meer voedsel zou moeten geproduceerd worden, dan zeker in ontwikkelingslanden. Ik kom er zo dadelijk op terug. Want er is nog een ander probleem: het gebruik van pesticiden. Volgens de agrochemische sector is het beschermen van gewassen met chemische producten een absolute noodzakelijkheid om voldoende voedsel te kunnen produceren. Naar eigen zeggen zou er zonder tussen 40% en 80% minder opbrengst zijn, al naar gelang het gewas. Maar daar maakt de sector volgens mij een denkfout. Als we blijven op grote schaal uniforme eenheidsworst in monoculturen produceren (die bovendien de hele wereld rond toert, maar dat is een ander artikel waard), gaan we fundamenteel voorbij aan wat de natuur ons te bieden heeft: een uiterst vernuftig bodemsysteem dat mits goede zorgen alles biedt wat we nodig hebben: gezonde, veilige en gevarieerde voeding. 

Daarvoor is wel een volledig andere aanpak nodig: een agro-ecologische aanpak, die vertrekt van een gezonde bodem, waarin planten de nodige voeding of nutriënten vinden om zonder kunstmest groot en sterk te worden (en lekker gezond), met voldoende variatie, zodat ziekten en plagen geen kans krijgen. Als we jaar in jaar uit op dezelfde plek, dezelfde gewassen verbouwen, geraakt de bodem daar uitgeput van en biedt ze niet meer de stoffen die deze plant nodig heeft. In monoculturen rest dan alleen nog het kunstmatig toevoegen van de nodige voedingsstoffen. Maar hierdoor geraakt de bodem uit evenwicht en krijgen ziekten en plagen vrij spel. Dat is de destructieve en vicieuze cirkel waarin de grootschalige landbouw vandaag overal zit. Zoals Albert Einstein ooit zei: “We kunnen geen problemen oplossen binnen hetzelfde soort van denken dat die problemen veroorzaakte.”  Dit is toch zo klaar als een klontje?

Speciaal rapporteur Elver

Het is een boodschap die al geruime tijd door steeds meer stemmen uit diverse hoek wordt verkondigd. En steeds luider. Ik zet er graag nog eens de luidspreker op. De speciale VN-rapporteur voor het recht op voedsel, Hilal Elver, en haar collega, Baskut Tuncak, ook speciaal VN-rapporteur voor schadelijke stoffen, presenteren woensdag nog eens de hoofdlijnen van hun rapport dat brandhout maakt van het narratief van de industriële voedingssector, dat die de wereld moeten voeden. 

“Meer pesticiden gebruiken heeft niets te maken met honger uit de wereld helpen. Volgens FAO kunnen we vandaag 9 miljard mensen voeden. De productie neemt toe, maar het probleem van honger is gerelateerd aan ongelijkheid, armoede en een gebrekkige distributie.”, zegt Elver nog eens kort en bondig. Met andere woorden “honger is grotendeels een politiek en beleidsmatig probleem!”

Macht in de verkeerde handen

Maar wat vooral zorgen baart is waarom dat beleid dan niet sneller verandert? Dat komt omdat de grote bedrijven die pesticiden (en dus ook de ggo’s) produceren veel overheidsinstanties, politici én boeren in de (economische) tang hebben, maar soms ook wetenschappers voor hun kar spannen. Terwijl overheden besparen op onderzoek&ontwikkeling, hebben multinationals een enorme cashflow waarmee ze de wetenschappelijke onderzoeksagenda kunnen sturen en soms ook de resultaten kleuren.  En waar consumenten in de EU beschermd zijn door een relatief strenge pesticidenwet (gebaseerd op het voorzorgsbeginsel), zijn de meeste boeren dat niet.
In de VS is 90% van de boeren niet op de hoogte en amper beschermd, niet door de wet, noch door ziekteverzekeringen. Met alle gevolgen van dien. En dat de grote bedrijven de touwtjes in handen hebben blijkt uit de felle weerstand tegen het verbod op neonicotinoïden drie jaar terug, de mislukte vergroening van het Europees landbouwbeleid, de Monsanto papers meer recent, en de nog aanhoudende strijd voor het verbod op glyfosaat en RoundUp.

Intussen in het Zuiden

In de ontwikkelingslanden is de situatie zo mogelijk nog problematischer. De overheden staan er vaak zwakker, dus ook de milieubeschermingsregels en de sociale bescherming zijn er minder sterk. De schaalvergroting neemt er toe en bedrijven lijken vrij spel te hebben, sociale netwerken worden ontwricht, mannen nemen het over van vrouwen (een evolutie met niet te onderschatten gevolgen). 

Wat bovendien zorgen baart is dat het landgebruik er verandert (ten nadele van de bodem en van kleinschalige boeren). Landbouwgrond wordt er vooral ingezet voor bulkgewassen die opslag verdragen (zoals maïs, rijst, granen), veel teelten staan in het teken van de vleesindustrie (soja) en veel van de grote volumes dienen vooral voor de export. Bovendien blijkt dat er in tropische landen 60% kinderarbeid is, vakbonden verboden zijn,... De exportbehoefte (omwille van de heilige handelsbalans) is voor machthebbers in vele van de minst geïndustrialiseerde samenlevingen belangrijker dan de nationale noden, wat dan weer druk zet op de lokale voedseldistributiesystemen... Het recente rapport van IPES ‘From Uniformity to Diversity’ zegt er alles over.

Wereldwijd werd in 1986 15% van de volumes geëxporteerd. Vandaag is dat 23%, terwijl het merendeel van wat consumenten dagelijks verbruiken gewoon lokaal wordt geproduceerd. Dat betekent dus dat heel wat producten voor de wereldmarkt zijn bedoeld. Voor de export dus.

Wie wordt daar beter van?

Wie wordt daar beter van, vraag ik me dan af. Ik alleszins niet. Wij allemaal waarschijnlijk niet. De meeste boeren zeker niet. De ontwikkelingslanden al helemaal niet. Misschien enkelingen. Misschien een paar bedrijven.

Maar ook dat is problematisch. De macht van enkele bedrijven is zo groot aan het worden, dat ze een onduurzaam en ongezond voeldselsysteem voeden en daarmee mens en planeet langzaam aan ziek maakt.  Dan zijn we toch beter af met een diversere landbouw zonder pesticiden. Zoiets als agro-ecologie. Niet? Het is duidelijk een positieve politieke keuze. Een die ik zou maken. Onrealistisch? Dat zeiden velen ook toen de groenen 30 jaar geleden begonnen over een energierevolutie, weg van fossiele brandstoffen en nucleaire energie. We werden weggelachen. En zie waar we nu staan…de revolutie is bezig. On-stop-baar!    

 

GroenDe enige partij die sociaal én milieuvriendelijk is.

www.groen.be

De Groenen/EVAGroenen en Europese Vrije Alliantie in het Europees Parlement.

www.greens-efa.eu

Sympathisant, ijveraar, pertinente vraag of melding...?