Hoe gezond is vandaag het Europese landbouwbeleid?

Ondanks de ernst van de financiële crisis mogen we iets fundamenteels als onze voedselvoorziening en de landbouw niet uit het oog verliezen. Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie is al sinds de jaren zeventig van vorige eeuw controversieel en voor velen een doorn in het oog. Vooral de gevolgen voor boeren in ontwikkelingslanden en de verstoring van lokale voedselmarkten zijn nog steeds – ondanks de forse hervormingen die in 2003 begonnen – een bittere realiteit. Halverwege het hervormingsproces wordt het GLB weer tegen het licht gehouden en stemt het Europees Parlement (EP), onder de noemer van “Health Check”, deze week over een eigen standpunt.

De Europese Commissie en de Europese Raad kwamen immers eerder met eigen voorstellen voor verdere herziening van het GLB. Het EP heeft officieel nog geen medebeslissingsbevoegdheid op dit gebied, dat voorziet het Verdrag van Lissabon, maar de Europese Raad heeft aangekondigd rekening te houden met de stemming in het EP. We zijn benieuwd.

Mijn EP-collega Kathalijne Buitenweg van GroenLinks, rapporteur voor de milieucommissie op dit onderwerp, is terecht niet tevreden met de voorstellen van de Europese Commissie. Ook ik vind deze herziening een jammerlijk gemiste kans. De Commissie wil boeren nog grotendeels blijven betalen voor wat ze in het verleden produceerden. Er is in de voorstellen ook veel te weinig aandacht voor water en natuur. Daarom een korte gezondheidstoets van het Europese landbouwbeleid en wat er volgens de Europese Groenen zou moeten gebeuren voor een gezondere landbouw in tien punten.

1. De Europese Raad wil de betalingen aan boeren vereenvoudigen en loskoppelen van hun productie, maar heeft nagelaten heldere grenzen te stellen aan betalingen aan grootschalige agro-industriële bedrijven. Liefst dertig procent van de GLB-miljarden gaat nog steeds naar 1 procent grote landbouwbedrijven die geen subsidies nodig hebben om te overleven. Ook goed boerende multinationals als Nestlé, golfclubs en energiegigant RWE eten royaal mee uit de Europese landbouwruif. In plaats van boven- en ondergrenzen te stellen aan landbouwsubsidies, zou men de inkomenssteun voor boeren beter koppelen aan prestaties op het vlak van arbeid en milieu. Dus subsidies koppelen aan een duurzame landbouw van hoge kwaliteit.

2. Naar een duurzame plattelandsontwikkeling gaat te weinig geld. Het probleem is dat sinds 2003 wel de koppeling tussen subsidies en productie geleidelijk werd losgelaten en vervangen door ‘inkomenssteun’. Maar men kan de Europese belastingbetaler moeilijk duidelijk maken waarom die subsidies worden gegeven. Dat kan bijvoorbeeld door er op te wijzen dat steun aan boeren gekoppeld is aan regionale of structurele achterstanden. Of verbonden is met door hen verleende diensten die niets met de commerciële markt, maar alles met het algemeen belang te maken hebben: beheer van natuurlandschappen en het behoud van biodiversiteit.

Helaas gaan Europese beleidsmakers dit fundamentele debat onder druk van de commerciële agrolobby uit de weg. En daarmee lopen we het risico dat het draagvlak voor steun aan een gezonde landbouwsector wordt ondergraven en dat dus kleinere landbouwbedrijven die een beetje ondersteuning verdienen, ook onder druk komt. De Europese Rekenkamer oordeelde onlangs nog dat milieuprogramma’s in de landbouwsector onvoldoende efficiënt waren als het gaat om concrete doelstellingen voor waterkwaliteit, biodiversiteit en bodemverbetering. In 2003 koppelde de EU het ontvangen van subsidies ook aan het naleven van milieuregels en het respecteren van dierenwelzijn. Er kwamen controles en boetes. Maar in plaats van nu deze reeds weinig concrete regels te vereenvoudigen, zou de EU beter inzetten op het in alle lidstaten veel actiever begeleiden van boerenbedrijven naar een duurzamere productie en er ook principes inzake waterbeheer, biodiversiteit en energie-efficiëntie aan toevoegen. Laat boeren samenwerken met natuurorganisaties en serieuze ngo’s op het vlak van milieu. Een kwalitatieve vlucht vooruit in plaats van de defensieve houding waarvoor men nu kiest.

3. De door parlementsleden, ngo’s en journalisten afgedwongen politieke transparantie over wie welke landbouwgelden ontvangt, wees uit dat grote percentages niet naar individuele boeren gaan, maar naar grote ondernemingen. Dat blijft zo onder druk van de landbouwlobby. De Europese beleidsmakers doen alsof ze overproductie tegengaan, maar men 'beheerst' de productie niet als men tegelijkertijd bijvoorbeeld de melkquota verhoogt. Dat zal dan weer het exporteren of dumpen van melkoverschotten buiten de EU-grenzen aanmoedigen.

4. De hervorming van het GLB is er sinds 2003 in principe op gericht om minder in de markt te interveniëren en zo boeren ertoe aan te zetten niet meer te produceren dan nodig. Maar de Europese Commissie gooit nu het kind met het badwater weg. Want bepaalde instrumenten om het aanbod te managen - zoals quota en importvoordelen voor bepaalde ontwikkelingslanden – kunnen kleine producenten aan stabiele prijzen helpen. Ze kunnen helpen om kleine maar duurzame producenten in achtergebleven regio’s te laten overleven, hetgeen weer goed is voor de leefbaarheid van het platteland.

Quota voor melk hebben producenten in bepaalde regio’s helpen overleven. Een aanbodsysteem voor melkproductie gericht op Europese consumptie kost de belastingbetaler geen extra geld, helpt kleine bedrijven overleven en schaadt producenten in derde landen niet. Het is dus politiek niet handig om aanbodsturende maatregelen af te schaffen als je geen goede alternatieven biedt, zoals hogere directe inkomenssteun voor kleine producenten in zwakke regio’s. En het garanderen van correcte prijzen voor duurzaam geproduceerde landbouwproducten. Het GLB heeft aanbodsturende maatregelen nodig die de machtspositie van mondiaal opererende agrobusiness aan banden legt en meer ruimte biedt aan kleinere boerenbedrijven.

5. Het verminderen van bureaucratie in het GLB is op zich een goede zaak, maar men houdt onvoldoende rekening met de realiteit. Toenemende importen dreigen Europese verwezenlijkingen op het vlak van milieu en dierenwelzijn te ondermijnen. Het openen van landbouwmarkten voor producten uit derde landen leidde tot import van grote producenten, vlees uit bijvoorbeeld Latijns-Amerika, hetgeen al menig kleine Europese producent brodeloos heeft gemaakt. Die kleine veeboeren moeten zich, anders dan de grote importerende bedrijven, wél aan allerlei strikte wetgeving houden. De Europese eisen op het gebied van duurzaamheid en dierenwelzijn zouden ook moeten gelden voor die import, hoewel bepaalde uitzonderingen gemaakt kunnen worden voor ontwikkelingslanden. De Europese Commissie zou dit recht op een eigen en gediversifieerd landbouwbeleid moeten meenemen bij de WTO-onderhandelingen. Net als andere (armere) landen het recht moeten hebben om hun voedselzekerheid te beschermen en import met exportsubsidies uit westerse landen te verbieden.

6. Fair Trade! Deze manier van verhandelen van landbouwproducten uit arme landen heeft zich intussen ontwikkeld tot een international gerespecteerde methode, is de kinderschoenen ontgroeid en voldoet aan bepaalde standaarden. Die ontwikkeling gebeurde van onderop, via boerencoöperaties, consumenten en ontwikkelingsorganisaties. En ondanks de politiek. Het gaat om een handelsmodel dat rekening houdt met mensenrechten, met bescherming van regenwouden, met watervoorraden en milieubescherming. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de Europese Commissie dit bewezen model niet betrekt in de herziening van het GLB.De Commissie moet markttoegang zoveel mogelijk koppelen aan sociale en milieukundige standaarden. De EU zou het lef moeten hebben om dit soort handelspraktijken in de vastgelopen internationale handelsonderhandelingen te betrekken.

7. Een andere onbegrijpelijke tekortkoming van de huidige herziening is dat de Commissie de brandende kwestie van klimaatverandering en het inzetten van de landbouwsector voor het produceren van agrobrandstoffen nauwelijks aanraakt. De problemen zijn nochtans urgent genoeg: droogte of overstromingen bemoeilijken wereldwijd steeds meer het oogsten van voedsel, er is de concurrentie van agrobrandstoffen met voedselproductie en veranderende eetpatronen – meer vlees - in zich ontwikkelende landen zetten voedselprijzen onder druk. Desondanks (en ondanks een stemming in het EP) blijft de Europese Raad eisen dat een bepaald percentage agrobrandstoffen aan benzine wordt toegevoegd, zonder een diepgaande analyse over wat de gevolgen voor de mondiale voedselzekerheid zullen zijn.

8. De analyse van Commissie en Raad houden ook geen rekening met de gevolgen van speculatie met landbouwgewassen. Een pas verschenen rapport van het Amerikaanse ‘Institute for Agriculture and Trade Policy’ (IATP: “Commodities Market Speculation: the Risk to Food Security and Agriculture”) ,toont aan dat deze speculatie, rechtstreeks heeft bijgedragen aan het vergroten van het percentage mensen dat honger lijdt in vele landen. Samen met de financiële sector is ook de handel op de grondstoffenbeurzen volledig op hol geslagen, dankzij deregulering en een gebrek aan toezicht. Prijzen op de internationale markten stijgen en dalen heel snel, waardoor export en import worden belemmerd en voedselonzekerheid toeneemt. Volgens het rapport stegen mondiale voedselprijzen tussen april 2007 en april 2008 met liefst 85 procent. Stijgingen voor tarwe, maïs en soya die niet verklaard kunnen worden door de wet van vraag en aanbod maar wel door speculatie.

Per juli 2008 was vooral door grote handelaars in financiële producten als Goldman Sachs en verzekeraar American Insurance Group het totaalbedrag van 317 miljard dollar geïnvesteerd in de zogenaamde “commodities index funds”. Dit bundelt 24 landbouwproducten en ook grondstoffen als olie en allerlei mineralen. Het gevolg is dat fluctuaties in prijzen de verkoop op opties in dit fonds beïnvloeden en zo een invloed op de landbouwprijzen hebben zonder dat dit gekoppeld is aan de beschikbaarheid. De gevolgen van deze speculatie zijn nog schrijnender dan wanneer de kleine Fortis-aandeelhouder zijn spaarpotje verliest door het roekeloos gedrag van de bonus-bankiers. Want dankzij de speculatie met grondstoffen, lijden extra veel mensen honger en laten duizenden het leven. Er is geen enkele internationale, multilaterale overeenkomst, laat staan platform, die de vernietigende speculatie met voedsel kan beteugelen. Op 18 september keurde het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden de "Commodity Markets Transparency and Accountability Act" goed. Een eerste stap om iets te doen aan de uitwassen van speculatie, zij het nog gericht op de eigen landbouwsector. Europa moet daarom, samen met Amerikaanse autoriteiten, dringend een internationaal initiatief nemen.

9. Ondanks de mondiale voedselcrisis gaat de Europese Commissie nog steeds blijmoedig uit van liberalisering van de markten. Een nog vrijere markt wordt gepropageerd als extra vrijheid voor boeren om te reageren op signalen uit de markt. We zien in de financiële sector wat het liberaliseren en loslaten door de overheid heeft veroorzaakt. Wat boerenbedrijven nodig hebben is juist steun bij het diversifiëren van hun bedrijf, bij het meer verdienen aan hun producten door verkoop op lokale en regionale markten en door het ontwikkelen van toegevoegde waarde aan hun producten. Maar Europese regelgeving op het gebied van marketing, hygiëne enzovoorts hebben juist marktconcentratie en de macht van supermarktketens over producenten in de hand gewerkt. De GLB-herziening moet niet de vrije markt propageren maar het ondersteunen van miljoenen, kleinere Europese boerenbedrijven door hen minder afhankelijk te maken van grote marktkrachten als de grootdistributie. De EU heeft concurrentieregels tegen monopolievorming: zet die ook in op landbouwgebied!

10.Gezien het cruciale belang van voedselproductie wordt het ook tijd dat er meer democratische inspraak komt bij het vaststellen van het landbouwbeleid voor de nabije toekomst. Enkele uitgangspunten voor de Groenen van zo’n visie: naast een redelijk inkomen voor boeren, en acceptabele prijzen voor consumenten moet de nadruk ook liggen op een duurzaam beheer van grondstoffen, een gebalanceerde verhouding tussen stad en plattelandsontwikkeling, aandacht voor innovatie en werk, dierenwelzijn en volksgezondheid. De huidige Europese herziening van het GLB, mist deze visie helaas volkomen.


Bart Staes

GroenDe enige partij die sociaal én milieuvriendelijk is.

www.groen.be

De Groenen/EVAGroenen en Europese Vrije Alliantie in het Europees Parlement.

www.greens-efa.eu

Sympathisant, ijveraar, pertinente vraag of melding...?