Verslag werkbezoek aan Kosova (11-15 oktober 2000)
TWEEDE BEZOEK AAN KOSOVA
Augustus 1999 trokken Karel van Reeth en ikzelf naar Kosova om er een stand van zaken te kunnen opmaken na de oorlog. Wij troffen er een door Servische terreur zwaar geteisterd land aan dat op alle vlakken volledig heropgebouwd moest worden. Wij zagen er een volk dat de internationale gemeenschap erg dankbaar was voor de bevrijding en dat duidelijk niet bij de pakken bleef zitten, maar koortsachtig aan de slag was om het puin van de bezetting te ruimen. Wij ontdekten er ook de vele pijnpunten bij het Kosovaarse volk: de woningnood en de armoede maar ook het verdriet om de meer dan 2500 politieke gevangenen in Servische kerkers en om de duizenden vermisten. Wij drukten de hoop uit dat de internationale gemeenschap die Kosova voorlopig moet besturen en heropbouwen zich niet zou gedragen als een nieuwe kolonisator en wij waarschuwden de politieke wereld dat het Kosovaarse volk onder geen enkel beding nog zou kunnen samenleven in eenzelfde staat met Servië.
Medio oktober van dit jaar trokken Karel en ik opnieuw naar Kosova om - meer dan een jaar na de bevrijding - een balans op te maken, om er de sfeer op te snuiven in het vooruitzicht van de lokale verkiezingen van 28 oktober en om er te peilen naar de toekomstverwachtingen.
EEN TRIP NAAR KOSOVA IS GEEN PRETJE
Naar Kosova reizen is geen sinecure tot op heden. Over land moet je veiligheidshalve een grote omweg maken via Italië, dan met de ferryboot naar Griekenland en tenslotte over de bergen van Noord-Griekenland en via Macedonië naar de zuidgrens van Kosova, waar je alvast vele uren kan wachten. Deze kleine grensovergang in bergachtig gebied is immers tot nader order de enige belangrijke verbinding met West-Europa en daarenboven gedragen de Macedonische grensbewakers er zich als erg stugge bureaucraten. Een autoreis naar Kosova is voorwaar een zeer tijdrovende bedoening.
Een vliegtuigreis is evenmin een pretje. Sinds enkele maanden is de vroegere militaire luchthaven van de Kosovaarse hoofdstad Pristina opengesteld voor burgerluchtvaart. Normaal is er dagelijks een vlucht Ljubljana (Slovenië) - Pristina. Maar vermits deze luchthaven bewaakt wordt door de KFOR-troepen gebeurt het nogal eens dat ze "om veiligheidsredenen" tijdelijk gesloten wordt voor burgervliegtuigen. Wegens Belgisch koninklijk bezoek aan Kosova hebben wij dat bij onze jongste trip mogen ervaren. Zo arriveerden wij niet na de middag in Pristina maar 's nachts in Skopje (Macedonië). Dan maar per taxi naar de grens, te voet de grens over en dan met een andere taxi naar Pristina, waar we een stuk na middernacht bij onze Kosovaarse vrienden aanlandden.
Buiten de ongemakken kan een dergelijke trip met hindernissen toch nog positieve effecten met zich brengen. Zo krijg je een beeld van het gebied langsheen de verbindingsweg tussen de grens en de hoofdstad Pristina. De baan zelf leek ons in slechtere staat dan vorig jaar na de oorlog. Niet verwonderlijk als je weet dat alles over deze weg moet aangevoerd worden en dat ook de zware legertransporten geregeld over deze baan donderen. Weliswaar merkten we dat op diverse plaatsen wegenbouwwerken bezig waren (herstel van bruggen, asfaltering). Wat ons ook opviel was het enorm aantal tankstations dat langs deze weg was neergepoot, naast ook nogal wat horecazaken.
Daarnaast bood de nachtelijke taxirit ons de mogelijkheid om te peilen naar het oordeel van de gewone mens. Omdat wij het geluk hadden dat een Kosovaarse vriend uit Diegem toevallig samen met ons de reis maakte, konden wij een gesprek voeren met onze chauffeur, die honderduit op onze vele vragen antwoordde. Zo vernamen wij o.a. dat de Kosovaarse bevolking nog steeds tevreden is over de aanwezigheid van de KFOR-strijdkrachten en van UNMIK, die instaat voor de heropbouw van het land en voor het voorlopig bestuur. Na heel veel problemen begint de elektriciteitsbevoorrading redelijk te werken. Inzake wederopbouw van de woningen moet nog ontzettend veel gebeuren. Politiek gesproken heerst bij de bevolking het gevoel dat de internationale gemeenschap de partij van president Ibrahim Rugova (L.D.K.) ernstiger neemt dan de partij van ex-U.C.K.-leider Hashim Thaçi (P.D.K.). Wat de machtswissel in Servië betreft is men natuurlijk verheugd over het verdwijnen van Milosevic, maar is men zeer argwanend t.a.v. opvolger Kostunica die twee jaar terug nog door de straten van Pristina liep in het gezelschap van paramilitairen met een Kalasjnikov ostentatief in de handen .


Het erf van de familie Jashari werd oorlogsmonument

Het massagraf van de familie Jashari (53 graven)

Het erf van de familie Jashari bevindt zich in het dorp Prekaz in de gemeente Skenderaj, gelegen in de Drenica-vallei waar in 1998 de eigenlijke oorlog in Kosova begon. Op één dag (7 maart) werden daar alle leden van de familie Jashari, 53 in totaal, uitgemoord door Servische politiemensen en paramilitairen. De jongste was 2 en de oudste 93 jaar. Deze schanddaad betekende in feite de start van de oorlog. Thans zijn de ruïne en het massagraf een druk bezocht Albanees memoriaal geworden.

DE WEDEROPBOUW : EEN WISSELEND BEELD
Op onze tocht door Kosova kregen wij een zeer wisselend beeld te zien inzake wederopbouw.
In de hoofdstad Pristina trekt men boven op vele flatgebouwen nog één en soms meer verdiepingen op. Hier is duidelijk woningnood omdat tienduizenden vluchtelingen uit het binnenland naar de hoofdstad kwamen. De huidige bevolking bedraagt driemaal het aantal van voor de oorlog. Daarnaast wordt er ook koortsachtig gerestaureerd en vernieuwbouwd in de particuliere woonsector. Heel wat vernielde winkels en horecazaken in het centrum zijn uit hun as herrezen en trendy shops en pubs geworden. De gevels van de flatgebouwen tonen een hallucinant beeld: elk balkonnetje heeft zijn schotelantenne. De door de NAVO gebombardeerde officiële gebouwen in het centrum en de getroffen woningen daarrond liggen er nog bij zoals vorig jaar. Van eigenaars van die woningen hoorden wij dat zij nog niets vernamen over mogelijke schadevergoeding. Het wegdek van de straten is verslecht, maar gans de stad oogt wel een stuk properder, al is er op dit vlak nog veel te doen. De E.U. plant voor 2001 een project om de huisvuilophaling beter te organiseren.
In het binnenland krijg je een wisselend beeld te zien. In het oosten van de Drenicavallei in de omgeving van Prekaz, waar in 1998 de gruwelijke afslachting van de familie Jashari (53 mensen) plaatsgevonden heeft en waar de verwoestingen enorm waren, is de wederopbouw van de dorpen reeds goed opgeschoten. In het westen van deze regio valt er echter nog veel werk te verzetten. Deze wisselende indruk kregen wij ook elders in Kosova.

Een van de hoofdstraten van het oude cultuurhistorische centrum van Peja in het westen van Kosova.
In de provinciesteden was onze ervaring minder rooskleurig. Zo stelden wij tot onze verwondering vast dat in de drie steden die wij bezochten, nl. Gjakova, Peja en Mitrovica, het puin wel grotendeels geruimd is maar dat van wederopbouw nog weinig te bemerken valt. De voorlopige burgemeester van Mitrovica, Dr. Bajram Rexhepi, bevestigde ons dat de woningnood in deze door de Servische paramilitaire en andere troepen zwaar geteisterde mijnstad zeer groot is. Van de 7200 verwoeste huizen van Albanezen zijn er nog maar 3000 hersteld. Zeer vele mensen leven er nog steeds in tenten. Bovendien worden heel wat officiële gebouwen in het zuidelijk stadsdeel op dit ogenblik bezet door Franse troepen zodat ze voor de Albanese gemeenschap onbruikbaar zijn: een hotel, twee middelbare scholen, heel wat fabrieken… Daartegenover staat dat in het noordelijk “Servische” deel de gebouwen van de universitaire faculteiten ook door de Franse KFOR-troepen opgeëist werden vorig jaar. Maar ondertussen werden die gebouwen wel vrijgegeven aan de Serviërs, wat uiteraard kwaad bloed zet bij de Albanezen.
Het lijkt ons duidelijk dat de internationale gemeenschap en met name de E.U. die verantwoordelijk is voor de reconstructie, bij het uitstippelen van haar beleidsplan prioriteit verleent aan die woonzones waar de grootste en wreedste gruweldaden gebeurd zijn. Een standpunt waar we begrip voor kunnen opbrengen omdat hierdoor wraakgevoelens mogelijks kunnen ingetoomd worden. Alleen moet men opletten dat de goodwill t.a.v. de internationale gemeenschap bij de duizenden mensen die nog steeds in de kou staan niet omslaat in ongenoegen. Inzake materiële reconstructie is er dus nog veel werk aan de winkel.

De eens zo drukke hoofdstraat van het 'beschermde' oude centrum van Gjakova.
Daarom hebben wij een onderhoud gehad met het Europees Agentschap voor Reconstructie in Kosova. Daar is men er zich terdege van bewust dat huisvesting een prioritaire opdracht blijft. Zo’n 120.000 huizen waren verwoest of zwaar geteisterd. In 1999 werden 3.500 huizen heropgebouwd en dit jaar werd 60 Mio € besteed voor de wederopbouw van 8.000 woningen, in totaal 11.500 dus of zowat 10% van het totaal. Maar er zijn ook veel andere dringende projecten en de beschikbare budgetten zijn niet onuitputtelijk. Zo is de zorg voor energievoorziening erg belangrijk wil men de enorme elektriciteits-en verwarmingsproblemen van vorige winter vermijden. Dit jaar werden voor herstel en renovatie van de electrocentrales 90 Mio € uitgetrokken. En om de voedselvoorziening te waarborgen is steun aan de landbouw noodzakelijk. 20.000 ton meststoffen en 20.000 ton zaaigoed werden ter beschikking gesteld voor de vruchtbare streek rond Ferizaj. Daarnaast werd een project opgestart om 35.000 hectaren akkerland te voorzien van een irrigatiesysteem. In totaal werden in 2000 voor 430 Mio € programma’s uitgevoerd door het Europees Agentschap voor Reconstructie in Kosova.
BLIJVENDE PIJNPUNTEN
De niet-materiële oorlogsellende is eigenlijk een veel groter trauma voor de Kosovaarse samenleving dan de louter materiële oorlogsschade. Dit leerden wij uit een lange ontmoeting met dr. Pajazit Nushi, de voorzitter van de Kosovaarse mensen- rechtenorganisatie (K.M.L.D.N.J.) en uit gesprekken met lokale vertegenwoordigers van deze vereniging.
Gevangenen en vermisten
Een prangend pijnpunt blijven de 914 politieke gedetineerden in Servische gevangenissen (d.d. 13.10), meestal in erg slechte omstandigheden. Zeven mensen stierven reeds tijdens hun gevangenschap. Het comité heeft geen rechtstreekse contacten met de gevangenen, wel via UNMIK en via familieleden.
Ander pijnlijk probleem zijn de meer dan 3400 vermiste Kosovaren op de lijsten van K.M.L.D.N.J. Vooral in Gjakova is dit probleem erg schrijnend, zoals wij leerden uit gesprekken met mensenrechtenactivisten aldaar.
De ergste wreedheden zijn in in de stad Gjakova gebeurd tussen 7 en 11 mei 1999, de periode dat hevige gevechten plaatshadden tussen het UCK en de Servische troepen in deze regio aan de grens met Albanië. In deze vier dagen werden veel burgers gedood, gearresteerd of verjaagd richting Albanese grens en werden massaal huizen in brand gestoken. In het centrum van de stad werden de mensen bijeengedreven en in twee groepen opgedeeld: vrouwen en kinderen aan een kant van de straat, mannen aan de andere kant. Vrouwen en kinderen werden naar een elektriciteitsfabriek gebracht, de mannen werden opgesloten in een gebouw buiten de stad waar ze zeven dagen lang moesten rechtstaan, de eerste drie dagen zonder eten. Velen werden dan ook ziek. Na zeven dagen werden de zieken vrijgelaten, de rest werd naar een gevangenis nabij Peja gebracht. Daar werden 185 mensen geëxecuteerd, onder wie 22 van Gjakova. Op 10 mei, nadat NAVO-bommen deze gevangenis getroffen hadden, werden de gevangenen naar Lipjan overgebracht, vanwaar ze voor het binnentrekken van de KFOR-troepen in Kosova op 12 juni '99, gedeporteerd werden naar Servische gevangenissen. Op heden (14.10.2000) zijn er nog steeds 530 Gjakovaren vermist, zijn er 760 doden te betreuren en zitten er nog 240 mensen uit Gjakova in Servische gevangenissen.
Onveiligheid
Veiligheid is ook vandaag nog een probleem van eerste orde. Waar er in Kosova geen systematische of georganiseerde wraaknemingen plaatsvinden, blijven er toch sporadisch moorden en verdwijningen te betreuren. Het is verheugend vast te stellen dat het aantal feiten sterk verminderd is in vergelijking met een jaar geleden, maar van een totaal veilige samenleving kunnen we spijtig genoeg nog niet spreken, aldus dr. P. Nushi.
Sinds het einde van de oorlog werden 480 moorden gepleegd op Albanezen, Serviërs, Roma-zigeuners en Bosniakken. Het gaat duidelijk om individuele misdaden, want er is geen lijn in terug te vinden. Zo waren de slachtoffers in de maanden mei en juni van dit jaar vooral Serviërs, in de maanden juli, augustus en september waren het dan weer hoofdzakelijk Albanezen.
Ook vielen er verdwijningen te noteren. Zo verdwenen volgens de bronnen van K.M.L.D.N.J. 403 Serviërs. Ook enkele Kosovaarse meisjes verdwenen spoorloos. Het is nochtans niet zo evident om het motief te achterhalen, vermits ook de maffia actief is in Kosova en verdwijningen kunnen dus ook het werk zijn van mensenhandelaars in functie van de prostitutie.
De Albanese politieke leiders en de lokale gezagsdragers hebben weinig mogelijkheden om op te treden tegen deze criminele feiten. Zo mag de lokale politie niemand arresteren en laat de UNMIK-politie na om op te treden. De gemeenteraadsverkiezingen van 28 oktober zijn dan ook enorm belangrijk, omdat de verkozen gemeentebesturen orde op zaken zullen moeten stellen.
De positie van de Roma-zigeuners is volgens dr. P. Nushi fel verbeterd. Deze mensen die niet gevlucht zijn hebben niets te vrezen, vermits zij geen oorlogsmisdaden gepleegd hebben. Bovendien willen zij zich integreren in de Kosovaarse samenleving. Zo hebben zij een politieke partij gevormd en nemen zij deel aan de verkiezingen.
Het onveiligheidsgevoelen wordt ook in de hand gewerkt door het feit dat er geregeld slachtoffers te betreuren vallen door explosies van anti-persoonsmijnen. Zowat 1/3 van het grondgebied is gevaarlijk terrein. De grensgebieden met Albanië en Macedonië spannen daarbij de kroon. Er vielen reeds 108 slachtoffers, voornamelijk kinderen. Het ontmijningsproces vordert zeer langzaam. Tegen het huidige tempo zou het nog ongeveer vijf jaar duren vooraleer Kosova van mijnen vrij is.
Etnische zuiveringen
De aanhoudende etnische zuiveringsacties in de mijnstad Mitrovica voeden de frustraties en het ongenoegen bij de Kosovaren.
GroenDe enige partij die sociaal én milieuvriendelijk is.

www.groen.be

De Groenen/EVAGroenen en Europese Vrije Alliantie in het Europees Parlement.

www.greens-efa.eu

Sympathisant, ijveraar, pertinente vraag of melding...?